Voion | Arbeidsmarkt & opleidingsfonds voortgezet onderwijs

Er wordt gezocht op *

Nieuws

Wijzigingen in de WW vanaf 1 juli 2015

maandag 14 september 2015 | Arbeidsmarkt & mobiliteit

Door de Wet werk en zekerheid wordt, vanaf 1 januari 2016, de WW korter. Maar ook per 1 juli 2015 zijn er al belangrijke wijzigingen in de WW. Zo verandert de hoogtebepaling van de WW en worden de regels voor wat passende arbeid is strenger. 

1. Strenger begrip passende arbeid
Passende arbeid is het werk dat een WW´er moet zoeken en accepteren. Voor werknemers die op of na 1 juli 2015 in de WW komen, is dit begrip strenger geworden. 
  • De eerste 6 maanden van de werkloosheid is werk passend als het aansluit bij het werk waaruit de werknemer werkloos is geworden. Dat houdt in dat het werk hetzelfde opleidingsniveau vereist als het oude werk, dat het salaris minstens 70% is van het oude salaris, en dat de reistijd maximaal 2 uur per dag is. Er kan meer werk passend zijn als er sprake is van doorgroeimogelijkheden binnen 6 maanden of van opvularbeid tussen twee banen in.
    De salarisbepaling en de termijn voor doorgroeimogelijkheden zijn nieuw. De andere regels zijn net zoals vóór 1 juli.
  • Na 6 maanden werkloosheid wordt alle werk passend qua niveau en salaris. Werk is dan alleen niet passend als de werknemer er niet toe in staat is. Of als om lichamelijke, geestelijke of sociale redenen niet van de werknemer kan worden gevergd dat hij dat werk gaat doen. Die sociale redenen kunnen dan uiteraard niet zijn dat het niveau of het salaris van het werk te laag is. Wel bijvoorbeeld dat de reisafstand te lang is (meer dan 3 uur per dag), terwijl de werknemer redelijkerwijs niet kan verhuizen.
    Nieuw is dat dit al na 6 maanden werkloosheid geldt. Tot 1 juli was dat het geval na 12 maanden.
  • Voor werknemers die na 104 weken ziekte minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn en daarom niet in de WIA, maar in de WW komen, is vanaf de eerste WW-dag het regime van toepassing dat voor anderen na 6 maanden pas geldt. De reden hiervoor is dat zij al 2 jaar bezig zijn met re-integratie.

Verder is nu vastgelegd dat werk buiten dienstbetrekking geen passende arbeid is. Een WW´er is dus niet verplicht om bijvoorbeeld als zzp´er te gaan werken. Dat dit zo is, werd ook eerder al wel aangenomen.

De nieuwe regels voor passende arbeid gelden ook voor de Ziektewet. Bij de Ziektewet is natuurlijk altijd een belangrijk punt of de werknemer het werk medisch gezien aankan. Zo niet, dan is het niet passend.

2. De hoogte van de WW-uitkering
Werknemers die op of na 1 juli 2015 in de WW komen, krijgen te maken met een andere hoogtebepaling van hun WW-uitkering.
Voor de werknemer die de laatste 13 à 14 maanden voor zijn werkloosheid bij één werkgever heeft gewerkt en uit die baan volledig werkloos is, verandert er niets aan de hoogte van de WW-uitkering. Die blijft de eerste 2 maanden 75% en daarna 70% van het dagloon. Wel nieuw is dat het dagloon wordt omgerekend naar een maandloon: het maandloon is 21,75 maal het dagloon. En dat UWV de uitkering per kalendermaand uitbetaalt. Tot 1 juli was dat per 4 weken.

In de volgende gevallen is de hoogte van de uitkering wel anders:
  • De werknemer heeft naast de WW-uitkering nog inkomsten uit dienstbetrekking. Hij heeft bijvoorbeeld niet al zijn arbeidsuren verloren of hij heeft een nieuwe baan gevonden. In dit geval is de hoogte van de WW-uitkering in de eerste 2 maanden 75% en daarna 70% van het verschil tussen het maandloon waarop de uitkering is gebaseerd, en het maandinkomen dat hij nu verdient.

    Voorbeeld:
    A verdiende in zijn oude baan €3.000 per maand. Na 3 maanden werkloosheid vindt hij een nieuwe baan waarin hij €2.000 per maand verdient.
    Vóór de werkhervatting is zijn WW-uitkering 70% van €3.000 = €2.100 per maand. Na de werkhervatting is het 70% van (€3.000 min €2.000) = €700 per maand. Samen met het nieuwe salaris is zijn inkomen gestegen van €2.100 naar €2.700 per maand.

    Hoeveel uren A nu werkt, is niet meer relevant. Hij moet nog wel minstens 5 uren of de helft van zijn uren verliezen om in de WW te komen, maar eenmaal in de WW is alleen zijn inkomen nog van belang. Dit nieuwe systeem betekent dat het voor een WW´er altijd lonend is om meer te gaan verdienen. Dat wil zeggen: tot en met 87,5% van het oude maandloon. Want bij overschrijding daarvan, stopt de WW.

    Een bijzonderheid is er bij werknemers met een maandloon hoger dan het WW-maximum (nu zo´n €200 per dag of €4.350 per maand). Bij hen wordt gekeken naar het verschil tussen enerzijds het oude (gemaximeerde) maandloon, en anderzijds hun nieuwe loon maal een breuk. De teller van die breuk is het oude maandloon, de noemer is het ongemaximeerde oude maandloon. Het gevolg hiervan is dat ook bij deze werknemer de WW pas eindigt zodra hij 87,5% van zijn eigen, ongemaximeerde oude maandloon verdient.

    Voorbeeld: 
    B verdiende in zijn oude baan €6.000 per maand. Na 3 maanden werkloosheid vindt hij een nieuwe baan waarin hij €4.000 per maand verdient.
    Vóór de werkhervatting is zijn WW-uitkering 70% van €4.350 (maximum maandloon) = €3.045 per maand. Na de werkhervatting is het 70% van (€4.350 min €4.000 * €4.350 / €6.000) = €1.015 per maand. Samen met het nieuwe salaris is zijn inkomen gestegen van €3.045 naar
    €5.015 per maand.

  • De werknemer heeft naast zijn WW-uitkering nog een andere uitkering of een pensioen.
    Een andere WW-uitkering of een ZW- of WIA-uitkering wordt als hoofdregel ook beschouwd als inkomen. En dus op dezelfde manier behandeld als het nieuwe loon in bovenstaande voorbeelden. Er zijn diverse uitzonderingen en nieuwe regels over de vraag welk inkomen in aanmerking wordt genomen bij welke uitkering, als de werknemer bijvoorbeeld twee WW-uitkeringen heeft en weer gaat werken.
    Een pensioen of een APPA-uitkering (van bv. een ex-wethouder) worden in hun geheel van de W-uitkering afgetrokken. Ook op deze regel bestaan uitzonderingen. 

     

  • De werknemer heeft inkomsten uit werk buiten dienstbetrekking.
    Bij werk als zelfstandige, bv. zzp´er, wordt voor de WW niet gekeken naar de werkelijke inkomsten uit dat werk, maar naar het aantal uren werk. Aan de gewerkte uren wordt een inkomen toegerekend van een evenredig deel van het maandloon waarop de WW-uitkering is gebaseerd.
    Bij werk als zelfstandige is dus eigenlijk de oude urensystematiek gehandhaafd. Voor andere soorten werk buiten dienstbetrekking bestaan afzonderlijke regels. 

     

  • De werknemer heeft in de laatste 13 à 14 maanden voor hij werkloos werd, niet de hele tijd gewerkt. Of bij verschillende werkgevers gewerkt.
    De referteperiode voor de WW-dagloonberekening is als hoofdregel de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van de tweede kalendermaand vóór de maand waarin de dienstbetrekking is geëindigd. Eindigt iemands baan bijvoorbeeld in oktober 2015, dan is het refertejaar 1 september 2014 t/m 31 augustus 2015. Op het loon in die periode wordt het dagloon gebaseerd.

    Nieuw is dat het loon uit alle dienstbetrekkingen die de werknemer in het refertejaar had, meetelt voor het WW-dagloon. Zo heel nieuw is dit trouwens ook weer niet, want de oude regel, namelijk dat alleen het loon bij de laatste werkgever meetelde, dateerde pas van 2013. En daarvóór telde ook al het loon uit alle dienstbetrekkingen mee. Dat dit nu weer wordt “terugveranderd” heeft te maken met nieuwe inzichten.

    Het refertejaar voor het WW-dagloon wordt nu alleen nog verkort als de werknemer in die periode eerder een WW-recht heeft gekregen. Dan telt voor het dagloon van de nieuwe WW-uitkering alleen de periode na het ontstaan van de eerdere WW-uitkering mee. Op die manier wordt voorkomen dat loon twee keer wordt meegeteld voor een WW-uitkering. 

    De werknemer heeft in het dagloonrefertejaar in verband met ziekte of verlof minder loon ontvangen dan normaal.

    Ook een verandering is er voor de werknemer die in het refertejaar ziek is geweest en daarom minder loon heeft ontvangen dan normaal. Bijvoorbeeld omdat hij in het 2e ziektejaar zat en zijn salaris was gekort. Onder de oude regels werd voor het WW-dagloon dan teruggegrepen op het ongekorte loon. Nu krijgt deze werknemer echter een WW-uitkering gebaseerd op zijn werkelijk verdiende, dus gekorte, loon. Dat kan dus bv. betekenen dat zijn WW-uitkering niet 70%, maar 49% (70% van 70%) van zijn normale salaris is. Voor zieke werknemers die in de WW terecht kunnen komen –dat zijn vooral degenen die na 2 jaar ziekte minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn- wordt het dus des te belangrijker om tijdens de ziekteperiode zoveel mogelijk te werken en zodoende meer loon te verdienen.

    Voor de werknemer die minder loon dan normaal heeft ontvangen wegens onbetaald verlof of verlof waarvoor hij een eigen bijdrage heeft betaald, blijft de situatie ongewijzigd. In dit geval wordt nog steeds wel teruggegrepen op het ongekorte loon. 

3. En wat gebeurt er met de bovenwettelijke WW?
De bovenwettelijke WW is een regeling van uw sector. Wat ermee gebeurt, bepalen de cao-partijen in uw sector. Veel sectoren die een bovenwettelijke WW-regeling hebben, laten die voorlopig zo om gebruik te kunnen maken van het overgangsrecht transitievergoeding. Omdat de vo-sector de bovenwettelijke WW heeft, hoeft u voorlopig geen of minder transitievergoedingen te betalen. Als de bovenwettelijke WW-regeling wordt gewijzigd, vervalt dat overgangsrecht.