Voion | Arbeidsmarkt & opleidingsfonds voortgezet onderwijs

Er wordt gezocht op *

Publicaties

Analyse van de instroom, uitstroom en interne mobiliteit in het voortgezet onderwijs

dinsdag 6 oktober 2015 | Arbeidsmarkt & mobiliteit | Algemeen Voion

Betreft: monitor van de mobiliteit in het voortgezet onderwijs (vo). Analyse van  het personeels- en mobiliteitsonderzoek 2014 (POMO 2014)
In opdracht van: Voion
Uitgevoerd door: CAOP Research
Datum rapport: oktober 2015  

CAOP Research heeft voor Voion een verdiepende analyse gemaakt van het Personeels- en mobiliteitsonderzoek 2014 (POMO 2014) op het thema ‘Mobiliteit’. Bij deze analyse is gebruik gemaakt van de resultaten van het onderzoek onder zowel het zittend personeel (interne mobiliteit) als het instromend en uitstromend personeel.

Er wordt antwoord gegeven op de volgende mobiliteitsvraagstukken:
•       Wie is mobiel/niet-mobiel?
Door in beeld te brengen wie in het vo wel en niet mobiel is, wordt duidelijk hoe mobiliteit in het vo er uit ziet. Van belang hierbij is dat duidelijk wordt welke kenmerken mobiele en niet-mobiele personen hebben. Zijn jongeren bijvoorbeeld vaker mobiel dan ouderen? En heeft functieduur invloed op mobiliteit?
•       Wat zijn de beweegredenen van mobiel personeel en niet-mobiel personeel?
Waarom stromen mensen in, uit of zijn ze niet mobiel? En is mobiel personeel uiteindelijk wel tevreden? Of zijn zij bijvoorbeeld op zoek naar een andere baan? De antwoorden op deze vragen brengen in beeld waarom mobiliteit al dan niet plaatsvindt en in hoeverre het personeel hier uiteindelijk tevreden mee is.  


Wie is mobiel/niet-mobiel?
  • Instromend personeel
    Uit analyses onder het personeel dat instroomt in het vo blijkt dat een groot deel van het personeel dat instroomt jonger is dan 35 jaar. Bijna een op de vijf instromende personen in het vo is tussen de 45 – 54 jaar oud. Wel verschilt de leeftijd tussen de verschillende functiegroepen. Zo is het management dat instroomt gemiddeld ouder dan het onderwijzend en het onderwijsondersteunend personeel. In totaal is bijna de helft van het personeel dat instroomt in het vo hiervoor al (gedeeltelijk) werkend. Drie op de tien personen hebben voor instroom geen werk en een op de vijf is schoolverlater. Bijna de helft van het personeel dat al (gedeeltelijk) werkend was, werkte voor instroom in het vo ook al in het vo. Onderwijzend personeel is vaker schoolverlater of (gedeeltelijk) werkend, terwijl onderwijsondersteunend personeel vaker zonder werk zat voor instroom in het vo.  
  • Uitstromend personeel
    Van al het personeel dat uitstroomt uit het vo, is ruim een derde procent 55 jaar of ouder. Een groot deel hiervan verlaat de sector vanwege pensionering. In totaal is ruim 30 procent van de uitstroom jonger dan 35 jaar. Onder het onderwijzend personeel stromen meer jongeren uit dan onder het management. Ongeveer 40 procent van het personeel dat uitstroomt uit het vo, is 0 – 2 jaar in dienst geweest. Een nagenoeg even groot percentage had voor uitstroom een tijdelijk dienstverband.
  • Interne mobiliteit  
    De interne mobiliteit in het vo is laag. Het overgrote deel van het personeel dat niet van werkgever is veranderd, is ook bij de werkgever zelf niet van functie veranderd. In totaal geeft 1,5 procent van het personeel in het vo aan dat zij van functie zijn veranderd door een reorganisatie. Een iets hoger percentage, bijna 4 procent, geeft aan dat zij vrijwillig gekozen hebben voor een andere functie bij de werkgever. Het management in het vo is vaker intern van functie veranderd dan het onderwijzend en het onderwijsondersteunend personeel.  
    Personeel dat niet van functie is veranderd, heeft gemiddeld een hogere functieduur dan personeel dat wel van functie is veranderd. Ook zijn er verschillen in functieduur tussen personeel dat wegens een reorganisatie van functie is veranderd en personeel dat vrijwillig van functie is veranderd: personeel dat vanwege een reorganisatie van functie is veranderd, heeft gemiddeld een hogere functieduur dan personeel dat vrijwillig van functie is veranderd. Bovendien is het personeel dat vrijwillig van functie is veranderd, over het algemeen jonger dan 35 jaar (ruim 46 procent).  

Wat zijn de beweegredenen van mobiel personeel en niet-mobiel personeel?

  • Instromend personeel
    Bijna de helft van het personeel dat instroomt in het vo en voorheen (gedeeltelijk) werkzaam was, heeft zelf ontslag genomen bij de oude werkgever. In ruim een kwart van de gevallen liep het tijdelijk contract af. Als de organisatie uit eigen initiatief verlaten wordt, komt dit voornamelijk omdat het personeel ontevreden is over de loopbaanontwikkelingsmogelijkheden en de wijze waarop de direct leidinggevende leiding geeft. Het instromend personeel kiest voornamelijk voor de baan in het vo vanwege de inhoud van het werk en de mate van zelfstandigheid. Hierna volgt de samenwerking met collega’s. De beloning en het feit dat de baan promotie betekent, spelen minder vaak een rol.  
  • Uitstromend personeel
    Het personeel dat uitstroomt uit het vo, verlaat de werkgever voornamelijk vanwege het aflopen van het tijdelijke contract (27,1 procent). Ruim 22 procent van het personeel heeft zelf ontslag genomen en ongeveer 14 procent is uitgestroomd vanwege vervroegd uittreden. Het personeel dat zelf besluit uit te stromen uit het vo, doet dit voornamelijk vanwege onvrede over de wijze van leiding geven door de direct leidinggevende. Ook de ontevredenheid over de informatievoorziening en communicatie in de organisatie speelt een belangrijke rol, evenals de resultaatgerichtheid van de organisatie.  
  • Tevredenheid Instromend personeel
    Eenmaal werkzaam in het vo is het personeel het meest tevreden over de mate van zelfstandigheid, de inhoud van het werk en de samenwerking met collega’s. Het minst tevreden zijn zij over de loopbaanontwikkelingsmogelijkheden en de informatievoorziening en communicatie in de organisatie. Ruim driekwart van het personeel dat is ingestroomd in het vo is ten tijde van het onderzoek ook nog werkzaam bij de organisatie of werkgever waar zij zijn ingestroomd. Daarnaast geeft ruim de helft van het instromende personeel aan op het moment van het onderzoek niet op zoek te zijn naar een andere baan. Het management is minder vaak (intensief) op zoek naar een andere baan dan het onderwijzend personeel. Het onderwijzend personeel is bovendien vaker (intensief) op zoek naar een andere baan dan het onderwijsondersteunend personeel.  
  • Tevredenheid uitstromend personeel
    Het personeel dat na uitstroom uit het vo nog betaalde arbeid verricht, keert over het algemeen weer terug naar een baan in het vo. Zij kiezen voornamelijk voor de nieuwe baan vanwege de inhoud van het werk en de mate van zelfstandigheid. Het feit dat de baan promotie betekent speelt evenals de beloning minder vaak een rol bij de keuze voor de nieuwe baan. In totaal is ruim drie kwart van het personeel dat weer in het vo gaat werken na uitstroom uit het vo tevreden met de nieuwe baan. Het minst vaak zijn zij tevreden over de loopbaanontwikkelingsmogelijkheden en de resultaatgerichtheid van de organisatie. Het personeel dat na uitstroom uit het vo aan het werk is in een andere baan, is over het algemeen in het geheel niet op zoek naar een andere baan. Van het personeel dat weer in het vo is gaan werken, geeft ruim de helft aan niet op zoek te zijn naar een andere baan.  
  • Tevredenheid interne mobiliteit
    Personeel dat niet van functie is veranderd, is gemiddeld meer tevreden met de baan dan het personeel dat vanwege een reorganisatie van functie is veranderd. Het personeel dat vrijwillig van functie is veranderd, is ook vaker tevreden over de baan dan het personeel dat vanwege een reorganisatie van functie is veranderd. Ook is het personeel dat vanwege een reorganisatie van functie is veranderd, minder te spreken over de loopbaanontwikkelingsmogelijkheden dan personeel dat op vrijwillige basis van functie is veranderd. Personeel dat vanwege een reorganisatie van functie is veranderd, is bovendien minder tevreden over de inhoud van het werk dan personeel dat niet van functie is veranderd en het personeel dat vrijwillig van functie is veranderd.   Personeel dat niet van functie is veranderd, geeft vaker dan personeel dat vanwege een reorganisatie van functie is veranderd aan niet op zoek te zijn naar een andere functie. Als er wel interesse is in een andere functie, is dit voornamelijk een functie bij de eigen werkgever of een andere werkgever in het vo. De interesse in een baan buiten de sector is beperkt. Wel schat het personeel dat niet intern van functie is veranderd, de kans om hun huidige baan te behouden hoger in dan personeel dat vanwege een reorganisatie een andere functie heeft gekregen. Ook personeel dat vrijwillig heeft gekozen voor een andere functie schat deze mogelijkheid hoger in dan personeel dat vanwege een reorganisatie van functie is veranderd.

Zie ook het nieuwsbericht: Helft instromend personeel is jonger dan 35 jaar