Voion | Arbeidsmarkt & opleidingsfonds voortgezet onderwijs

Er wordt gezocht op *

Publicaties

De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2022

donderdag 21 december 2017 | Arbeidsmarkt & mobiliteit

Betreft: Overzicht van de huidige en toekomstige ontwikkelingen op de Nederlandse arbeidsmarkt tot 2022
Uitgevoerd door: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA)
Datum: oktober 2017

Als onderdeel van het Project Onderwijs-Arbeidsmarkt (POA) ontwikkelt het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) een aantal activiteiten gericht op het inzichtelijker maken van ontwikkelingen in vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, het analyseren van de aansluiting tussen vraag naar en aanbod van arbeid, het ontwikkelen van arbeidsmarktindicatoren voor de actuele aansluiting tussen vraag en aanbod,  en de ontwikkeling van arbeidsmarktprognoses naar bedrijfssectoren, beroepen, opleidingen en regio. Deze rapportage is een weergave van de uitkomsten van de analyses in het POA. Hierin wordt een overzicht gepresenteerd en besproken van de huidige en toekomstige ontwikkelingen op de Nederlandse arbeidsmarkt tot 2022.

Samenvatting:

Werkloosheid daalt, maar voor velen blijven de lonen gelijk
De positieve economische groei van de afgelopen jaren zorgde voor een daling van de werkloosheid, en dit voor alle leeftijdscategorieën. Daarbij werd de sterkste werkloosheidsdaling geobserveerd voor jongeren. Met gemiddeld 8,4% in het 3de kwartaal van 2017 is de jeugdwerkloosheid nog steeds hoger dan die van de andere leeftijdscategorieën. Vooral laagopgeleiden hebben vaker met werkloosheid te maken (12%) dan middelbaar (6,2%) en hoogopgeleide (5,5%) jongeren. Naast de werkloze jongeren bestaat er bovendien een aanzienlijke groep NEETs (Not in Education, Employment, or Training) die geen onderwijs volgt en zich niet aanbiedt op de arbeidsmarkt, en daardoor vaak terechtkomt in een sociaal-economisch achtergestelde positie. De groep NEETs beslaat 10% van de mbo instroom. Dit herstel gaat echter niet zondermeer gepaard met stijgende lonen. De relatie tussen de netto arbeidsmarktparticipatie en het gemiddelde bruto uurloon – een indicatie hoe de arbeidsmarkt tijdens de crisis is omgegaan met de afname van de vraag naar arbeid – verschilt namelijk aanzienlijk tussen laag-, middelbaar en hoogopgeleiden. Zo groeide tussen 2014 en 2016 de netto arbeidsmarktparticipatie voor laagopgeleiden sinds de crisis weer, maar daalde het gemiddelde uurloon voor deze groep verder met 2,5%. Het gemiddelde bruto loon voor middelbaar opgeleiden stagneerde gedurende dezeperiode ondanks een vergelijkbaar herstel van de werkgelegenheid. Het gemiddelde bruto uurloon nam wél toe voor hoogopgeleiden, terwijl de netto arbeidsmarktparticipatie van deze groep, net zoals tijdens de economische crisis, ongewijzigd hoog bleef.

De relatie tussen de werkgelegenheid en loongroei verschilt bovendien ook per beroep. De zorg en welzijn beroepen kenden zowel een positieve werkgelegenheidsgroei als een groei van het bruto uurloon tussen 2009 en 2016, terwijl diezelfde werkgelegenheidsgroei bij de creatieve en taalkundige beroepen gepaard ging met een loondaling. Opmerkelijk is dat de ICT beroepen de sterkste stijging laten zien in de werkgelegenheid, terwijl de lonen tussen 2009 en 2016 nauwelijks zijn veranderd.

Door verwachte groei: plek voor 520.000 extra werkenden tot 2022
De geraamde toekomstige positieve economische groei zal zich vertalen in baancreatie in de periode tot 2022. Wij voorzien een werkgelegenheidsgroei (uitbreidingsvraag) van gemiddeld 1% per jaar tot 2022. Dit komt neer op 520.000 werkenden over zes jaar.

Vooral in de zorgsector zijn veel extra handen nodig om in de stijgende vraag te kunnen voorzien. De verwachte groei van de werkgelegenheid in de zorgsector bedraagt gemiddeld 3,1% per jaar. Dit wordt onder andere gedreven door de recent aangekondigde investering van 2,1 miljard euro voor verpleeghuizen tijdens de komende regeerperiode. Andere bedrijfssectoren waarvoor relatief veel jaarlijkse werkgelegenheidsgroei wordt verwacht zijn de groothandel (1,9%), de specialistische zakelijke dienstverlening (1,8%), en de bouwnijverheid (1,7%).

De substantiële groei in de zorgsector resulteert in een relatief sterke werkgelegenheidsgroei van gemiddeld 1,7% per jaar van de zorg en welzijn beroepen. Ook voor de technische beroepen wordt vrij veel extra werkgelegenheid verwacht (1,3% per jaar) onder andere als gevolg van de aantrekkende bouwsector. Voor de pedagogische beroepen wordt een aanzienlijke lagere groei geschat (0,3% per jaar): de vraag in deze beroepen is vooral gedreven door de behoefte aan vervanging van het zittend personeel. De agrarische beroepen krimpen de komende jaren verder (0,6% per jaar) als gevolg van schaalvergroting in de landbouw, bosbouw en visserijsector.

Knelpunten in de techniek: meer aanbod komt niet altijd in technische beroepenterecht
De arbeidsmarktperspectieven voor jongeren die de komende zes jaar tot de arbeidsmarkt zullen toetreden zijn gemiddeld genomen “goed”, hoewel er behoorlijk veel variatie bestaat tussen de vverschillende opleidingscategorieën. De overwegend gunstige vraag- en aanbodverhoudingen zullen voor verschillende beroepen leiden tot knelpunten in de personeelsvoorziening. Dergelijke knelpunten zullen zich naar verwachting vaak manifesteren in de technische beroepen, en zullen bovendien ontstaan ondanks de relatief hoge verwachte instroom uit de daaraan gerelateerde opleidingen. De problemen die werkgevers zullen ondervinden bij het invullen van vacatures voor technische functies worden deels gedreven doordat technisch geschoolden steeds frequenter werkzaam zijn in niet-technische beroepen. Ook voor de ICT beroepen worden er knelpunten verwacht, vooral voor software- en applicatieontwikkelaars en databank- en netwerkspecialisten. De vervangingsvraag in die ICT beroepen is wegens de jonge leeftijd van het personeelsbestand relatief laag, en de uitbreidingsvraag is goed voor ongeveer 1 op de 2 baanopeningen.

Werkbelasting gaat gepaard met hogere uitstroom van ouderen
Een analyse van de werkbelasting naar beroep toont aanzienlijke heterogeniteit in de mate waarin beroepen te maken hebben met tijds-, fysieke-, omgevings-, psychische en sociale belasting. De grootste werkbelasting wordt gevonden bij de zorg en welzijn beroepen waar werkenden zowel veel tijdsdruk als fysieke en psychische belasting ervaren. Werknemers in technische beroepen hebben voornamelijk te lijden onder omgevings- en sociale arbeidsbelasting, en pedagogische beroepen scoren hoog op psychische en fysieke belasting. Verder blijkt dat hoe hoger de werkbelasting, hoe lagerde leeftijd tot wanneer werknemers verklaren verder te kunnen werken. Werkenden die rapporteren hun baan fysiek niet aan te kunnen geven aan 15 jaar minder dan gemiddeld door te kunnen werken. Die verwachte leeftijd is zelfs nog lager (slechts tot 41 jaar) wanneer het werk psychisch te belastend is. Deze vaststellingen hebben gevolgen voor de verwachte uitstroom uit deze beroepen. Een diepere analyse toont immers aan dat beroepen met veel werkbelasting een duidelijk hogere uitstroom van 55 plussers kennen, behalve wanneer het om tijdsdruk gaat. Wij vinden echter geen significanterelatie tussen de hoge fysieke en psychische werkbelasting en de vervangingsvraag in beroepen die hierdoor gekenmerkt worden. Enerzijds kan dit verklaard worden doordat de uitstromende oudere werknemers vaker in krimpende beroepen werkzaam zijn. Anderzijds is de groep ouderen in fysiek en psychisch zware beroepen dikwijls relatief klein ten opzichte van de daarin werkzame groep jongere werknemers. Hun aandeel in de totale beroepsgrootte is bijgevolg te beperkt om een grote uitstroom en vervangingsvraag te genereren.

Gerelateerde onderwerpen