Arbo Vo 294

Veilig en vitaal werken

Overdrachtsvormen van het virus en gedragsregels

Overdrachtsvormen van het virus en gedragsregels

Inleiding

Verspreiding van het virus

Omdat men nog niet precies weet bij welke mate van blootstelling aan het coronavirus mensen ziek worden en hoe het virus zich precies verspreidt, worden de preventieve maatregelen tegen de infectieziekte COVID-19 momenteel genomen op basis van het ALARA-principe: ‘as low as reasonable achievable’. Met andere woorden: zorg voor zo min mogelijk blootstelling aan het virus. Om dit principe toe te kunnen passen is het noodzakelijk te weten welke verspreidingswegen het virus heeft of anders gezegd, op welke manier mensen besmet kunnen raken. Uit de literatuur blijkt dat er verschillende manieren zijn waarop het virus zich verspreidt.

De twee voornaamste overdrachtsvormen zijn:

  1. Via druppels (hoesten, niezen of (hard) praten door een besmet persoon).
  2. Via direct en/of indirect contact (aanraken van besmette personen of besmette oppervlakten).

Een derde door de WHO-onderkende overdrachtsvorm is:

  1. Via fecaal-oraal contact (bij het doorspoelen van het toilet).

En tenslotte een vierde – wetenschappelijk nog onduidelijke overdrachtsvorm – is:

  1. Via verdamping in de lucht (waardoor hele lichte druppelkernen ontstaan).

Om de voornaamste overdrachtsvormen van het virus tegen te gaan, hebben het RIVM en de Rijksoverheid gedragsregels opgesteld. 

Bestrijding: richtlijnen RIVM

De gedragsregels van het RIVM tegen de voornaamste overdrachtsvormen (bovengenoemde ad 1. en ad 2.) zijn de inmiddels bekende regels:

Tegengaan van verspreiding via druppels (ad. 1):

  • We hoesten en niezen in onze elleboog
  • We houden anderhalve meter afstand van elkaar.

Tegengaan van verspreiding via (in)direct contact (ad. 2):

  • We wassen onze handen vaak en goed (40 – 60 sec.). (zie filmpje RIVM)
  • We schudden geen handen.
  • We zitten niet aan ons gezicht.
  • We blijven thuis als we, of iemand uit ons gezin, klachten hebben.

Tegengaan van verspreiding via fecaal-oraal contact (ad. 3)
Voor het tegengaan van de verspreiding via fecaal-oraal contact, heeft het RIVM (nog) geen strikte richtlijnen afgekondigd. Toch blijkt uit de wetenschappelijke literatuur (Franchimon, 2020) dat er bij het doorspoelen van het toilet besmettingsgevaar bestaat. Dit kan met een factor tien worden verkleind door het toilet door te spoelen met gesloten deksel. In openbare (school)gebouwen, met gemeenschappelijk gebruik van toiletten, is deze maatregel zeker aan te raden. In dit kader wordt ook aangeraden om eventuele schrobputjes bij toiletten en douches (met een open verbinding met het riool) te vullen met water of slaolie (voor minder snelle verdamping) waardoor het waterslot weer wordt afgesloten.

Tegengaan van verspreiding via verdamping in de lucht (ad. 4)
Alhoewel de verspreiding van het coronavirus via aerosolen niet wetenschappelijk is bevestigd, kan de hoeveelheid aerosolen in de lucht worden tegengegaan door een goed werkend ventilatiesysteem. Om te beoordelen of een ventilatiesysteem voldoende capaciteit heeft (uitgedrukt in m3 luchtverversing per uur per persoon) om de binnenlucht te zuiveren (uitgedrukt in aantal partikels CO2 per miljoen), is doorgaans deskundig advies noodzakelijk. Voor de ventilatiecapaciteit en de kwaliteit van de binnenlucht wordt in dit kader verwezen naar de Handleiding coronavirus en het gebruik van ventilatie, verwarming en koeling op scholen.

Aangeraden wordt om de kwaliteit van de binnenlucht in het (les)lokaal regelmatig te beoordelen door het verrichten van duurmetingen naar de CO2-concentratie in de ruimten van de school.

In de Corona-Arbocatalogus-VO worden de minimumeisen voor de kwaliteit van de binnenlucht - zoals gespecificeerd in het ‘Programma van Eisen Frisse Scholen’ van september 2015 - gehanteerd. Het Programma van Eisen Frisse Scholen onderscheidt eisen in drie klassen: A zeer goed (800 CO2 ppm), B goed (950 CO2 ppm) en C acceptabel (1.200 CO2 ppm).

 

Geüpdatet: 4 september 2020