
Betreft: Onderzoek naar pensioenkeuzes en langer doorwerken in het primair en voortgezet onderwijs
Uitgevoerd door: Centraal Planbureau
Datum: oktober 2026
Leraren gaan gemiddeld ruim een jaar voor de AOW-leeftijd met pensioen. Als alle vervroegd gepensioneerden een jaar langer doorwerken, zou dit in het primair en voortgezet onderwijs respectievelijk 13% en 24% van de tekorten aan leraren verhelpen. In de grote steden zijn de tekorten groter en gaan leraren gemiddeld al later met pensioen. Langer doorwerken kan daar nog geen 4% en 10% van de tekorten aanvullen.
Het Centraal Planbureau (CPB) onderzoekt in hoeverre personeelstekorten kunnen worden verminderd als leraren en schoolleiders in het primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo) langer doorwerken. Daarnaast onderzoekt het CPB welke factoren een rol spelen bij de keuze van leraren om vervroegd met pensioen te gaan of juist door te werken na de AOW-leeftijd.
Leraren in het primair en voortgezet onderwijs gaan gemiddeld ruim een jaar voor de AOW-leeftijd met pensioen. In 2023 lag de gemiddelde pensioenleeftijd van leraren in het po zestien maanden onder de AOW-leeftijd. In het vo was dit vijftien maanden. Schoolleiders gaan later met pensioen dan leraren. Hun gemiddelde pensioenleeftijd lag in 2023 in zowel het po als het vo een jaar onder de AOW-leeftijd. In datzelfde jaar ging de gemiddelde werknemer in Nederland elf maanden voor de AOW-leeftijd met pensioen. Schoolleiders wijken dus slechts beperkt af van de hele Nederlandse populatie. Voor zowel leraren als schoolleiders geldt dat de gemiddelde pensioenleeftijd sinds 2017 is meegestegen met de AOW-leeftijd.
Langer doorwerken kan de personeelstekorten in het onderwijs slechts beperkt verminderen. In het fictieve scenario dat alle leraren die vervroegd met pensioen gaan één jaar langer doorwerken, zou dat gemiddeld circa 770 fte extra opleveren in het po en 520 fte in het vo. Dat komt overeen met respectievelijk 13% en 24% van de huidige tekorten. Ook de tekorten aan schoolleiders kunnen slechts deels worden aangevuld. Eén jaar langer doorwerken van alle vervroegd gepensioneerden zou in het po 24% van de tekorten verhelpen en in het vo 17%. Dit is waarschijnlijk een bovengrens, omdat de berekening is gebaseerd op de aanname dat een leraar of schoolleider overal in het land ingezet kan worden.
Juist in de grote steden, waar de personeelstekorten het grootst zijn, levert langer doorwerken het minste extra personeel op. In de steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere (de G5) zou één jaar langer doorwerken nog geen 4% van de huidige tekorten aan leraren in het po verhelpen. In het vo is dit 10%. Deze percentages zijn veel lager dan de landelijke percentages van respectievelijk 13% en 24%. Dit komt deels doordat de tekorten in de G5 hoger zijn, maar ook speelt mee dat leraren in de G5 gemiddeld al later met pensioen gaan. Binnen de G5 ligt de pensioenleeftijd van po- en vo-leraren gemiddeld respectievelijk zeven en vier maanden later dan buiten de G5. Hierdoor is de ruimte om tekorten te verkleinen via langer doorwerken juist in de G5 beperkt.
De keuze van een leraar om vervroegd met pensioen te gaan, hangt sterk samen met de pensioenbeslissing van de partner en met het opgebouwde pensioen. Neem bijvoorbeeld een leraar met een jongere partner. Als deze partner met pensioen gaat, is de kans dat de leraar nog hetzelfde schooljaar met vroegpensioen gaat ruim 30% hoger dan de kans dat een leraar zonder partner met vroegpensioen gaat. De kans op vervroegde pensionering is daarnaast fors hoger als de leraar meer pensioen heeft opgebouwd via de werkgever, als aanvulling op de AOW. Het verschil in de kans op vroegpensioen tussen de leraren met het laagste en hoogste opgebouwde pensioen is ongeveer 13%.
Gezondheid is een belangrijke factor bij de keuze om al dan niet door te werken na de AOW-leeftijd. Als een leraar in het jaar voor het bereiken van de AOW-leeftijd geen ziekteverlof heeft gebruikt, is de kans dat de leraar doorwerkt na de AOW-leeftijd ruim 13% hoger dan de kans dat een leraar doorwerkt die meer dan een maand ziekteverlof heeft gebruikt. Verder neemt de kans op doorwerken af als de leraar meer pensioen heeft opgebouwd of de partner met pensioen is. De invloed van deze factoren is echter kleiner dan de invloed van gezondheid.
Download het rapport.