Voion Logo
zoek

Publicaties

type icon

Monitor regeling werkdrukverlichting voortgezet onderwijs

donderdag 8 januari 2026 | Veilig en vitaal werken

Betreft: onderzoek naar implementatie en effectiviteit van de regeling werkdrukverlichting voortgezet onderwijs
In opdracht van: het ministerie van OCW
Uitgevoerd door: Oberon
December 2025

Deze rapportage is de tweede meting binnen het monitoronderzoek en betreft schooljaar 2024-2025.

In het monitoronderzoek is niet alleen onderzocht of er sprake is van een daling van de ervaren werkdruk, maar juist ook hoe het onderwijsveld (blijvend) handen en voeten geeft aan de inzet van de middelen, welke maatregelen en oplossingen worden gekozen en veranderingen/ontwikkelingen hierin, hoe maatregelen worden geïmplementeerd en welke effecten dat oplevert.

De hoofdvraag luidt: Op welke wijze worden werkdrukmiddelen ingezet (proces en waaraan) en wat zijn de effecten daarvan (op  de (ervaren) werkdruk).

Conclusies

Proces rondom de inzet van werkdrukmiddelen
Hoewel sinds schooljaar 2023-2024 een collectief werkdrukplan verplicht is, heeft in het voorjaar van 2025 nog niet iedere school een plan opgesteld of in werking gesteld. Twee derde van de respondenten geeft aan dat er op hun school een collectief werkdrukplan ligt dat daadwerkelijk wordt toegepast. Er zijn geen grote verschillen in het aantal scholen met een werkdrukplan ten opzichte van vorig jaar.

Gebrek aan tijd en onduidelijkheid over financiële middelen zijn de belangrijkste obstakels voor scholen die nog bezig zijn met het opstellen van hun plan.

Nog niet op alle scholen met een werkdrukplan wordt dit al structureel geëvalueerd. Hoewel ruim de helft van de respondenten op scholen met een werkdrukplan aangeeft het plan al te hebben geëvalueerd, staat bij een aanzienlijk deel de evaluatie nog gepland of ontbreekt het zicht op de voortgang.

Waar wel geëvalueerd wordt, blijkt dat de PMR en de directie meestal betrokken zijn, maar de betrokkenheid van onderwijzend en ondersteunend personeel bij de evaluatie blijft daarbij achter. Evaluatie leidt in veel gevallen tot aanpassing van de plannen voor de inzet van de collectieve werkdrukmiddelen.

De beoogde professionele dialoog rondom werkdruk blijkt nog niet overal voldoende tot stand te komen. Met name de betrokkenheid en inspraak van het onderwijzend en onderwijsondersteunend personeel bij de inzet van werkdrukmiddelen blijft beperkt. Het gesprek over werkdruk en mogelijke maatregelen vindt bovendien vooral binnen leidinggevende structuren plaats en minder op teamniveau.

Besteding van de collectieve werkdrukmiddelen
De besteding van de collectieve werkdrukmiddelen laat een gemengd beeld zien. De meest voorkomende maatregelen richten zich op extra personele inzet en praktische ondersteuning. Het vaakst genoemd zijn de inzet van onderwijsassistenten of andere ondersteunende externen binnen de klas, extra schoolpersoneel voor praktische taken, surveillance tijdens examens, leerlingbegeleiding, en pauzeondersteuning.

Personeel is wisselend tevreden over de inzet van de collectieve werkdrukmiddelen en kritiek richt zich vooral op het feit dat collectieve maatregelen niet altijd voelbaar zijn op individueel niveau of ongelijk verdeeld lijken. Omdat de oorzaken van werkdruk per medewerker verschillen, is het lastig om maatregelen in te zetten die voor het gehele personeel daadwerkelijk verlichting opleveren.

Daarnaast geeft personeel aan dat de maatregelen onvoldoende inspelen op structurele oorzaken van werkdruk, zoals personeelstekorten en klasgrootte.

Hoewel vrijwel alle scholen inmiddels maatregelen treffen om de werkdruk te verlagen, is een aanzienlijk deel van het personeel nog onvoldoende op de hoogte van hoe deze middelen precies worden ingezet. Vooral onder het onderwijsondersteunend personeel weet een groot deel niet waar de collectieve middelen aan worden besteed.

Ervaren opbrengsten
Over het geheel genomen worden de maatregelen vanuit de collectieve werkdrukmiddelen als beperkt positief ervaren, waarbij vooral directe taakverlichting in en rond de klas daadwerkelijk bijdraagt aan vermindering van werkdruk. Bredere of indirecte maatregelen, zoals studiedagen of meer tijd voor professionalisering, leiden soms juist tot werkdrukverhoging. De ervaren opbrengsten blijken, net als in de vorige meting, te verschillen tussen de functiegroepen.

Wanneer respondenten gevraagd wordt naar de algemene opbrengsten van de werkdrukaanpak (d.w.z. het gehele proces van planvorming, uitvoering en evaluatie), blijkt het beeld overwegend neutraal. Ongeveer twee derde van het onderwijzend en ondersteunend personeel ervaart geen duidelijke verandering in de werkdruk door de aanpak; voor hen verlaagt noch verhoogt het de werkdruk. Bestuur, directie en management zijn positiever, hoewel een deel van hen ervaart dat de aanpak de eigen werkdruk juist verhoogt.

Succesfactoren zijn onder andere de betrokkenheid van personeel, ruimte voor maatwerk en eigen keuzes rondom de inzet en actief meedenken van de schoolleiding. Tegelijkertijd ervaart een groot deel van het personeel ook knelpunten, zoals gebrek aan tijd en ruimte om over werkdruk te spreken, onvoldoende communicatie over plannen en resultaten en onvoldoende focus op onderwijsondersteunend personeel. Een ander knelpunt dat gemerkt wordt door respondenten zijn bezuinigingen en het wegvallen van werkdruk verlagende maatregelen bekostigd uit de NPO-middelen.

Zie ook het eerste evaluatierapport >>

Overzicht publicaties