Werknemers met een flexibel arbeidscontract krijgen meer zekerheid over hun inkomen, werktijden en perspectief op een vast dienstverband. De Tweede Kamer heeft ingestemd met het wetsvoorstel Wet meer zekerheid flexwerkers van minister Hans Vijlbrief. Als ook de Eerste Kamer akkoord gaat, kunnen de meeste onderdelen van de wet op 1 januari 2028 in werking treden.
Met de nieuwe wet wil het kabinet de grote verschillen tussen vaste en flexibele arbeid verkleinen. Nederland kent met ongeveer 2,7 miljoen flexwerkers het hoogste aandeel flexibele arbeidsrelaties binnen de Europese Unie. Volgens het kabinet leidt die situatie te vaak tot onzekerheid over werk, inkomen en toekomstperspectief.
Een van de meest ingrijpende veranderingen is de afschaffing van oproep- en nulurencontracten. Deze worden vervangen door zogenoemde bandbreedtecontracten. Daarbij spreken werkgever en werknemer een minimum- en maximumaantal uren af. Het maximum mag niet hoger zijn dan 130% van het minimum aantal contracturen. Werknemers zijn niet verplicht om buiten deze afgesproken bandbreedte te werken.
Het wetsvoorstel moet ook een einde maken aan zogenoemde draaideurconstructies. Werkgevers kunnen werknemers niet langer na een korte onderbreking opnieuw een reeks tijdelijke contracten aanbieden. De huidige tussenpoos van zes maanden wordt vervangen door een vervaltermijn van drie jaar, waardoor een nieuwe keten van tijdelijke contracten pas na die periode kan beginnen.
Daarnaast worden de mogelijkheden voor langdurige inzet van uitzendkrachten beperkt. Uitzendkrachten krijgen recht op arbeidsvoorwaarden die minimaal gelijkwaardig zijn aan die van werknemers die rechtstreeks bij de opdrachtgever in dienst zijn. Voor dit onderdeel wordt een eerdere invoeringsdatum van 1 januari 2027 voorzien.
Minister Vijlbrief spreekt van een belangrijke stap naar een eerlijkere arbeidsmarkt. Volgens hem zorgt meer voorspelbaarheid in werktijden en inkomen ervoor dat werknemers gemakkelijker plannen kunnen maken voor hun toekomst en meer ruimte krijgen voor scholing en ontwikkeling. Het wetsvoorstel kan rekenen op steun van zowel werkgeversorganisaties als vakbonden.
Na goedkeuring door de Tweede Kamer ligt het voorstel nu bij de Eerste Kamer. Het kabinet hoopt de parlementaire behandeling nog voor het zomerreces af te ronden. Wanneer ook de Eerste Kamer instemt, treden de meeste onderdelen van de wet naar verwachting op 1 januari 2028 in werking.
Bron: Rijksoverheid