
Betreft: Een tweejarig evaluatieonderzoek (kalenderjaren 2025 en 2026) waarin halfjaarlijks bevindingen over de onderwijsregio’s worden gerapporteerd
In opdracht van: het ministerie van OCW
Uitgevoerd door: Berenschot
Datum: 24 juni 2026
Dit rapport betreft de derde fase van een tweejarig evaluatieonderzoek naar het onderwijsregiobeleid. Het evaluatieonderzoek richt zich op de doeltreffendheid en doelmatigheid van het onderwijsregiobeleid. Na een verkennende eerste fase en een tweede fase met een brede uitvraag onder alle regio’s, richt deze derde rapportage zich op zeven verdiepend onderzochte casusregio’s. Deze zijn bewust geselecteerd op variatie in schaal, geografische afbakening, sectorsamenstelling, urgentie van tekorten en ontstaansgeschiedenis, zodat recht wordt gedaan aan de pluriformiteit van het landelijke netwerk van onderwijsregio’s. De bevindingen werden gebaseerd op een combinatie van bronnen: verkennende interviews met vertegenwoordigers van landelijke organisaties, een analyse van de plannen van aanpak van onderwijsregio’s, en een bureaustudie van beleidsdocumenten en beschikbare arbeidsmarktdata.
Een belangrijke algemene opbrengst is de toegenomen bestuurlijke bewustwording en het gevoel van collectieve verantwoordelijkheid. Regionale samenwerking wordt minder gezien als vrijblijvende optie en meer als gezamenlijke noodzaak. Het onderbrengen van bestaande initiatieven (zoals Samen Opleiden, RAP-structuren en hr-netwerken) onder één regionaal kader leidt tot meer samenhang tussen activiteiten, en tot concrete voorzieningen zoals gezamenlijke inductietrajecten, afgestemde stagevergoedingen en versterkte regionale loketten voor instroom en matching. Structurele impact van de onderwijsregio’s op instroom, uitval of retentie kan op dit moment nog niet overtuigend worden aangetoond. Een systematische vergelijking met de situatie vóór invoering ontbreekt en de beleidsperiode is nog relatief kort. De bijdrage van onderwijsregio’s moet daarom vooralsnog als indicatief en versterkend worden geduid: zij bundelen, structureren en intensiveren bestaande activiteiten, maar harde causale effecten zijn nog niet vast te stellen.
De voortgang blijkt sterk samen te hangen met een aantal randvoorwaarden. Heldere governance met duidelijk mandaat, overzichtelijke overlegstructuren en transparante besluitvorming zijn essentieel. Meerjarige financiering biedt stabiliteit en strategische ruimte, al wordt de administratieve last (met name rond Samen Opleiden) als aanzienlijk ervaren. Ook een professionele werkorganisatie met krachtig en stabiel programmamanagement is cruciaal om ambities om te zetten in uitvoering. Onderliggend spelen vertrouwen en gedeeld urgentiebesef een belangrijke rol.
De ontwikkeling van onderwijsregio’s wordt gekenmerkt door vier terugkerende dilemma’s. Regio’s balanceren tussen het behouden van bestaande samenwerkingen en het realiseren van verdere integratie en vernieuwing. Zij zoeken naar voldoende structuur en legitimiteit, zonder dat governance wendbaarheid en tempo belemmert. Ook de betrokkenheid van de beroepsgroep vraagt om een evenwicht tussen professionele invloed en bestuurlijke werkbaarheid, terwijl de meerwaarde in de praktijk niet altijd direct zichtbaar is. Tot slot speelt de spanning tussen regionale collectiviteit en instellingsautonomie.
De conclusie is dat onderwijsregio’s een pluriform landschap vormen en zich in een opbouw- en verdiepingsfase bevinden. Er is een werkbare infrastructuur ontstaan en bestuurlijke samenwerking is geïntensiveerd, maar de legitimiteit van het model moet zich de komende jaren bewijzen door zichtbare en merkbare verbeteringen in het primaire proces. De vier dilemma’s vormen geen tijdelijke knelpunten, maar de structurele dynamiek van regionale samenwerking
Regio’s worden opgeroepen scherper te prioriteren en te focussen op die thema’s waar regionale meerwaarde het grootst is. De inhoudelijke arbeidsmarktopgave moet leidend zijn, met governance als ondersteunend instrument. Het vergroten van merkbare impact in de praktijk en het versterken van professionele betrokkenheid via inhoudelijke co-creatie zijn cruciaal voor legitimiteit. Daarnaast is systematisch lerend vermogen en bovenregionale kennisdeling nodig om samenhang te versterken en dubbel werk te voorkomen.
Voor OCW ligt er een opgave in het bieden van richting en stabiliteit. Een heldere langetermijnvisie op de positie van onderwijsregio’s binnen het bestel kan helpen bij strategische keuzes. Ook is reflectie nodig op stelselprikkels die regionale samenwerking kunnen belemmeren, evenals aandacht voor de positie van medezeggenschap in een gelaagd samenwerkingslandschap.
Download de derde tussenrapportage.
Bekijk hier de resultaten van de eerste tussenrapportage evaluatie onderwijsregio’s
Bekijk hier de resultaten van de tweede tussenrapportage evaluatie onderwijsregio’s