VOION Haganum 2057 2Header9

Publicaties

Nulmeting Wet beroep leraar

dinsdag 12 mei 2020 | Onderwijsarbeidsmarkt

Betreft: De rapportage bevat de conclusies over de beleidstheorie, de invoering, de stand van zaken en verwachtingen van de resultaten en effecten van de Wet beroep leraar (Wbl).
In opdracht van: Ministerie van OCW
Uitgevoerd door: Panteia
Datum rapport: december 2019

Het ministerie van OCW heeft Panteia, op grond van de evaluatiebepaling in de Wet beroep leraar, gevraagd een nulmeting naar de Wbl uit te voeren. Deze rapportage bevat de conclusies over de beleidstheorie, de implementatie, stand van zaken en verwachtingen ten aanzien van de resultaten en effecten. Hiervoor is een documentenstudie uitgevoerd, zijn zowel interviews met landelijke vertegenwoordigers en leraren gehouden als enquêtes uitgezet. Het betrof drie enquêtes onder schoolbestuurders, schoolleiders/teamleiders en leraren uit het po, vo en mbo.

Beleidstheorie
De Wet beroep leraar heeft tot doel de bekwaamheid van en het bekwaamheidsonderhoud door leraren uit het po, vo en mbo naar een hoger plan te tillen. Om dit te bereiken bestaat de wet uit een drietal instrumenten die samenhangende subdoelstellingen beogen, namelijk:

  • Omschrijving van het beroep leraar
  • Professionele ruimte en professioneel statuut
  • Lerarenportfolio

Het achterliggende idee van de Wbl is dat het instrumentarium ervoor zorgt dat leraren verantwoordelijkheid krijgen en nemen voor de kwaliteit van de beroepsuitoefening. Het beoogde effect van de Wbl is versterking van de positie van de leraar en verbetering van de beroepskwaliteit. Het ontstaan van een sterke beroepsgroepsorganisatie van leraren die leraren vertegenwoordigt, eisen stelt aan de uitoefening van het beroep en zich uitspreekt over beroepsethiek en scholing is wenselijk om dit effect te kunnen bereiken.

Implementatie van professionele ruimte en statuut
De bekendheid met de omschrijving van het beroep leraar, de professionele ruimte en professioneel statuut is hoog onder zowel de geënquêteerde schoolbestuurders als schoolleiders. Het best zijn zij bekend met de verantwoordelijkheden van de leraar en het minst met de verplichting om een statuut op te stellen (dit laatste geldt met name de schoolleiders). Leraren zijn ten opzichte van schoolbestuurders –en leiders het minst goed op de hoogte. Maar een meerderheid van de leraren weet wel van de verantwoordelijkheden en de zeggenschap die in de wet is vastgelegd. De verplichting om een professioneel statuut op te stellen is onder po- en vo-leraren veelal niet (34%) of enigszins (37%) bekend.

Schoolbestuurders uit het vo en mbo geven met 51% en 60% het vaakst aan dat er een professioneel statuut of regeling werkoverleg is opgesteld. In het po heeft een even groot aandeel een statuut of zijn ze er nog mee bezig (beiden 32%). Vo-schoolleiders bevestigen het beeld van de bestuurders dat er veelal een statuut is opgesteld. In het po en mbo wordt dit door iets minder dan de helft (44%) bevestigd. Zij melden vaker niet te kunnen zeggen of er een statuut of regeling werkoverleg is. Circa een kwart van de leraren weet dat er een statuut of regeling werkoverleg is, maar de meeste leraren weten het niet. Aangezien zowel schoolbestuurders als – leiders aangeven dat het statuut of regeling werkoverleg in de meeste gevallen op schoolbestuursniveau is opgesteld, is dit een mogelijke verklaring voor de onbekendheid onder leraren.

Resultaten professionele ruimte en statuut: stand van zaken en verwachtingen
Leraren ervaren, zoals ook de schoolbestuurders –en leiders aangeven, veelal in voldoende mate vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogisch zeggenschap zoals bedoeld in de Wbl. Hierbij gaat het zowel om degenen met als degenen zonder statuut of regeling werkoverleg. Als er een statuut of regeling werkoverleg is, is meestal de zeggenschap voor leraren zoals bedoeld in de Wbl hierin opgenomen. Schoolleiders bevestigen dit wel in iets mindere mate dan bestuurders. De zeggenschap is in het po meestal georganiseerd door een lerarenberaad die overlegt met de schoolleiding, in het vo door de aanstelling van vakcoördinatoren en in het mbo door de zelfsturende taakteams. Dit geldt zowel voor scholen met als voor scholen zonder statuut of regeling werkoverleg.

Over de totstandkoming van het statuut of regeling werkoverleg zijn zowel de bestuurders, schoolleiders als leraren tevreden. De voornaamste reden is dat er goed met elkaar is samengewerkt, de goede gesprekken zijn gevoerd en goed naar elkaar geluisterd is.
Leraren zijn, in tegenstelling tot bestuurders, positief over de mogelijke bijdrage van het statuut of regeling werkoverleg aan (meer) dialoog over beroepskwaliteit tussen leraren en schoolbestuur –of leiding en (meer) zeggenschap voor de leraar. Hierbij zijn er geen verschillen tussen leraren zonder of met statuut of regeling werkoverleg gevonden. Ook circa de helft van de schoolleiders gelooft dat er (meer) dialoog en zeggenschap voor leraren kan ontstaan als gevolg van het statuut of regeling werkoverleg. Bestuurders verwachten veelal niet dat er (meer) dialoog of zeggenschap zal ontstaan. De voornaamste reden die zij hiervoor geven is dat leraren zonder het statuut of regeling werkoverleg ook al voldoende zeggenschap hebben en dat hierover al dialoog plaatsvindt.

Beroepsgroepsvorming
Leraren geven de voorkeur aan een beroepsvertegenwoordiging per sector. Bijna driekwart van de leraren uit het po en mbo kiest daarvoor. In het vo ligt dit percentage met 65% iets lager, maar is het nog steeds een ruime meerderheid.

Effecten van de Wbl
Dat de Wet beroep leraar kan leiden tot een sterkere positie van de leraar daar geloven zowel schoolbestuurders, schoolleiders als leraren in. Wel is het geloof onder schoolleiders en leraren (beide 63%) iets sterker dan onder bestuurders (55%).

Ook verwachten schoolleiders en leraren een positief effect van de Wbl voor de beroepskwaliteit van leraren en op de motivatie van leraren om aan hun bekwaamheidsonderhoud te werken. Dit laatste is wel opvallend. Leraren gaven eerder aan dat het lerarenportfolio bekwaamheidsonderhoud niet stimuleert. De wet bestaat uiteraard uit meer onderdelen, dus waarschijnlijk verwachten zij dat bijvoorbeeld het statuut of regeling werkoverleg hen zal stimuleren. Bestuurders verwachten veel minder vaak effect van de Wbl op de beroepskwaliteit en zien het ook niet als stimulans voor leraren om aan hun bekwaamheidsonderhoud te werken. Zij geloven simpelweg niet dat dit effecten kunnen zijn van een wet.

Lees de uitgebreide samenvatting in het volledige rapport.